DRIE MAAL DRIE

 

 

Download dit verhaal als PDF-bestand door op de afbeelding te klikken
Zo kun je het lezen waar en wanneer je wilt, met of zonder WiFi.
Of lees hieronder meteen lekker verder

 


 

Sophie wilde naar huis. Ze raakte geïrriteerd. De trein die ze de laatste tijd vaker nam omdat ze overwerkte, kwam maar niet opdagen. Zelfs de borden gaven niet eens wat aan. Geen informatie, geen melding, niets. Alles was blanco.
‘Fijn,’ zei haar mond met een grote zucht. Dit was ook nog eens de laatste trein die ging. Als deze niet kwam, dan kon ze niet naar huis. Ze had immers geen geld voor een taxi en verder had ze geen dierbaren die in haar buurt woonden.
Vandaag was het zo’n dag dat alles mis ging. Mensen op het werk zeurden onnodig aan haar hoofd, gaven haar de verkeerde aandacht. Normaal kon ze zoiets wel hebben, maar vandaag was ze in een vervelende bui. Ze had slecht en weinig geslapen. Vanochtend had ze de suikerpot laten vallen; dat zette de toon voor de rest van de dag. Dit kon ze er ook wel bij hebben.
Lichtjes raakte ze in paniek. Het is al zeven minuten over tijd en haar trein was er nog steeds niet. Ze pakte haar mobiel. Kon ze echt niemand bellen? Rechtsboven in het schermpje kleurde het batterijicoontje rood en gaf nog maar vijf procent aan. Snel drukte ze hem uit. Ze moest logisch nadenken. Op dit soort momenten wilde ze dat ze vrienden had. Die had ze niet. Haar ouders woonden aan de andere kant van het land en hun contact was wat verwaterd. Zoveel leken haar ouders niet om haar te geven. Een van haar collega’s misschien? Nee, dacht ze, ik heb ze vandaag echt uitgespuugd. Die zitten niet op me te wachten. Oké, alleen als ik écht niet thuiskom dan. Voor nu wachtte ze af.
Wanhopig keek ze om zich heen. Ze vroeg zich af of ze de enige was op dit verlaten ondergrondse station, bestaande uit spoor één tot en met vier. Zoekend liep ze het stukje perron over. Niemand te zien.
Sophie begon te rillen, ze kreeg het koud. Vandaag was het best warm, maar ’s nachts koelde het altijd af. Ze was moe, wilde slapen. Ze liet zich zakken op een bankje dat daar stond. In haar tas zocht ze naar eten, maar alles was op. Altijd hield ze een appel over aan het einde van de dag, waarom nu ineens niet? Enkel vond ze een half rolletje met pepermunt. Dat vulde niet. Wat een baaldag…

 

Op het moment dat ze het liefst wilde huilen, hoorde ze voetstappen. Ze kwamen haar kant op gelopen. Het was een jonge vrouw van ongeveer haar leeftijd.
‘Goedenavond.’ Ze keek op haar horloge. ‘Nacht,’ corrigeerde ze zichzelf. Sophie gaf een knikje, ergens wel blij een medemens te zien. ‘Ben ik nog op tijd voor de laatste trein?’ Sophie vond het een gekke vraag. Als de trein al was gekomen, dan zat ze hier toch niet? Of ze moest een zwerver zijn geweest. Zag ze er zo uit? Ze had door dat de vrouw gewoon een sociaal gesprekje met haar wilde voeren. Small talk heette dat, toch? Ze legde zich erbij neer.
‘Op tijd ben je zeker wel. Het is alleen de vraag of hij nog komt opdagen.’ De vrouw bestudeerde het scherm.
‘Wat gek dat er niets op staat vermeld.’ Ze pakte haar mobiel. ‘Online geeft hij wél iets aan. Hij zou ongeveer… een kwartier vertraging hebben. Hier, kijk maar.’ Sophie kneep haar ogen fijn door het plotselinge felle licht, maar ze zag dat de vrouw gelijk had.
‘Hm, dat moet dan een foutje zijn geweest…’
‘We wachten af.’ Ze kwam naast haar op het bankje zitten. Sierlijk gooide ze haar lange bruine haren los, zwierde ermee. Ze zag eruit alsof ze ook een wilde dag heeft gehad. ‘Hoe lang zit je hier al?’ vroeg ze met een elastiek tussen haar tanden, terwijl ze haar haren opstak. Sophie keek hoe ze dat ongegeneerd deed.
‘Zo’n tien minuten.’ Vervolgens keek ze naar de grond. Van haar moeder had ze geleerd dat staren niet netjes was. ‘Rijden hier toevallig lokale bussen?’ Dat was nooit in haar opgekomen, tot nu.
‘Die rijden hierboven, vlakbij de Kiss & Ride. Maar momenteel niet, alleen overdag en ’s avonds.’ Sophie zuchtte. Zelfs dát was geen optie. Ze moest de situatie gewoon accepteren. Over ongeveer vijf minuten zat ze lekker warm in de trein. En ze was tenminste niet alleen.
De vrouw graaide in haar tas. Ze vond een pakje met crackers. Ze opende het en hield het voor de neus van Sophie. ‘Lust je dit?’ Ze leefde op en knikte dankbaar. Hongerig nam ze een crackertje aan.
‘Dank je.’
‘Ik ben trouwens Feline.’ Sophie beantwoordde de hand en stelde zichzelf ook voor. ‘Welke richting moet je zo op?’
‘Ik moet richting het noorden, helemaal naar de andere kant van de stad. En dan nog een stukje buiten de grens,’ zei Sophie met haar mond vol. Feline dacht na.
‘Ja, ik weet waar. Dat is nog wel even reizen dan.’ Ze veegde de kruimels van haar broek. ‘Ik woon op zich om de hoek, maar het is niet te doen op loopafstand. Zelfs fietsen is net te ver.’
‘Herkenbaar,’ lachte Sophie.
Zo zaten de twee jonge vrouwen nog even te babbelen. Sophie vond het stiekem wel gezellig. Feline was een aardige en gulle dame. Samen deelden ze de laatste krummels. Ze leerden elkaar wat kennen en steeds meer merkten ze hun gedeelde interesses op. Sophie vergat de tijd, Feline evengoed, maar de geprogrammeerde stem over de intercom, schudde hen even wakker: ‘’De trein van twaalf uur vijfentwintig rijdt, vanwege een defecte bovenleiding, niet. Herhaling: …’’ Sophie en Feline keken elkaar geschrokken aan.
‘Pff, lekker dan,’ mompelde Sophie nadat de intercom ‘’uitgesproken’’ was, ‘eerst vertraging en nu kan ik helemáál niet meer naar huis.’ De moed zakte haar in de schoenen. Haar hondje Billy zou zich vast afvragen waar ze bleef.
‘Geen zorgen,’ stelde Feline haar gerust, ‘ik bel mijn huisgenootje wel even. Die is vaak rond deze tijd nog wakker.’

 

‘Stap in,’ zei de vrolijke blondine. Lara heette ze.
‘Vind je het echt niet erg om me helemaal naar huis te brengen?’ vroeg Sophie terwijl ze plaatsnam op de achterbank.
‘Neuh, ben je mal? Met de auto gaat het best snel. Ik hoef niet bij elke halte te stoppen,’ grapte ze. Feline keek vanuit de passagiersstoel naar Sophie en wapperde nonchalant met haar slanke hand.
‘Ze houdt wel van avontuurtjes, hoor.’
Sophie voelde zich gewaardeerd. Ze bewonderde deze bizarre situatie. Het had wel wat, zolang het maar weer goed kwam.
Tevreden keek ze een tijdje uit het raam, genietend van de muziek op de achtergrond. Ze staarde naar de verlichte huisjes in de verte, dat kalmeerde haar al sinds haar kindertijd. Ze werd er rozig van. Maar even later werd de fijne sfeer ruw verstoord. Lara en nog een paar andere autobestuurders moesten ruimte maken voor een ambulancewagen en wat politieauto’s die met volle snelheid voorbij sjeesden. Met z’n drieën probeerden ze te bedenken waar ze heen zouden kunnen gaan. Sophie volgde met haar ogen de zwaailichten. In de verte zag ze dat de wagens afsloegen, haar buurt in! Dat moest wel, want daarachter was niets anders dan een bos en een meer.
‘O nee,’ zei ze, ‘volgens mij is er vannacht geen kans op slapen.’
‘Rustig maar, meis.’ De bambie-ogen van Feline keken haar doordringend aan. ‘Misschien is het wel niet bij jou.’ Ze gaf Sophie een aai over haar knie en glimlachte.
‘’Na tweehonderd meter, sla rechts af,’’ zei de vrouwelijke robotstem van de navigatie. Ze spitsten hun oren. De sirenes waren gestopt. Ze kon aan niets anders denken dan aan haar hondje. Als hij maar oké was…

 

Sophie had gelijk. Het was één grote puinhoop voor haar huis. De hele buurt stond buiten om te kijken wat er aan de hand was, zelfs mensen van een paar straten verderop.  Juist omdat hier nooit wat gebeurt, is iedereen zo gefascineerd, bedacht Sophie. Was het zo ernstig? Haastig stapten ze uit de auto van Lara. Ze observeerden de situatie. Sophie sloeg geschrokken haar handen voor de mond toen ze zag dat er iemand op rustig tempo werd meegevoerd op de brancard. Ze vermoedde de buurman, want haar buurvrouw schreeuwde en huilde dat ze met haar man meewilde, maar dat mocht niet baten. Een van de politieagenten probeerde haar gerust te stellen.
De meiden sloegen een arm om Sophie heen. Dit had ze niet alleen willen meemaken. Ze was blij dat ze er waren, ook al waren het wildvreemden.
‘Ken je de buren goed?’ vroeg Feline een paar minuten later. Sophie schudde haar hoofd.
‘In dit geval: gelukkig niet.’ Maar dat nam niet weg dat ze in shock was. Lara hield een omaatje tegen die waarschijnlijk weer naar binnen wilde gaan.
‘Mevrouw! Mevrouw…’ De vriendelijk uitziende vrouw draaide zich weer langzaam om. ‘Kunt u misschien vertellen wat er precies gebeurd is?’
‘Ach, lieverd, heb je het niet gehoord? Het waren schoten, hele harde schoten. Wel drie keer. Nog voor ik kon kijken, lag de man al bebloed op de koude straat. De auto scheurde weg…’ Ze haalde een diepe zucht, haar ogen spraken boekdelen. ‘Was ik het maar. Ik ben oud en alleen, heb al een heel leven gehad. Zij konden nog kinderen baren.’ De drie meiden deelden een ongemakkelijke blik met elkaar.
‘Wilt u zeggen dat… de man overleden is?’ vroeg Lara verder, ook al hadden ze alle drie dat idee al.
‘Welja, lief kind, welja…’ De grijs- bijna witharige vrouw schuifelde krom en langzaam richting haar voordeur en sloot die achter zich.
Sophie trilde een beetje. Het idee dat er een tragedie voor haar niet meer veilige huis heeft plaatsgevonden, kon ze niet bevatten. Nergens was het dan veilig, als het van álle plekken die ze kon bedenken juist hier gebeurde.
In de lucht was geen enkele ster te zien. Grijsgrauwe wolken waren eroverheen gedreven, ze huilden met de verloren buurvrouw mee. De regendruppels vielen zacht, maar droevig neer. Wilma – zo heette ze, wist Sophie  – werd liefdevol meegenomen door de politie. Echter was ze troosteloos en leeg vanbinnen, rouwende om haar man.

 

Het stukje straat was afgezet voor nader onderzoek, maar Sophie mocht na een gesprek met de politie wel haar eigen huis in. Ze wist niet zeker of ze wel durfde te slapen, maar een agent vertelde dat de daders niet zomaar terug zouden komen. Marco, de overleden buurman, had fraude gepleegd en ernstige schulden opgebouwd bij een bedrijf. Hij weigerde het recht te trekken. Ze hebben het vermoeden dat het bedrijf huurmoordenaars heeft ingezet tegen hem, dat hadden de politieagenten vernomen van de overburen die ooit in vertrouwen waren genomen door buurman Marco. Na dit verhaal wist Sophie nog steeds niet of ze zich wel veilig voelde. Haar werd slachtofferhulp aangeboden.

De meiden liepen het huis binnen en het eerste wat Sophie deed, was opzoek gaan naar haar hondje.
‘Billy!’ riep ze. Ze vond haar kleine mopshond bibberend in zijn mand. Normaal stond hij haar al kwispelend op te wachten. ‘O, Billy…’ Hij was vast en zeker geschrokken van de harde schoten. Voor vuurwerk was hij heel bang, dus dit associeerde hij er misschien mee. Ze nam hem in haar armen. Billy likte haar gezicht, ondanks de staart tussen de pootjes, blij zijn baasje weer te zien. ‘Lieverd toch, gelukkig ben je ongedeerd.’ De andere meiden keken hartverwarmend toe. Ze vonden het mooi hoe ze haar huisdiertje behandelde alsof het haar eigen mensenkind was. Sophie stond op. ‘Bedankt voor jullie hulp en goede zorgen.’ Dat meende ze.
‘Met alle liefde. Wil je dat we nog even blijven, vind je dat fijn?’ Dat had ze graag gewild maar toch schudde ze haar hoofd: ‘Ik heb genoeg last op jullie schouders geworpen. Gaan jullie maar lekker naar huis.’ Ze wilde hen heus een kopje thee aanbieden, maar ze zag ook hoe moe zij waren. Feline pakte ouderwets een pen en scheurde een stukje papier uit haar notitieblok.
‘Hier, mijn nummer. Op zaterdagmiddag wandelen we altijd met een picknickmand door het park en op zondagochtend drinken we koffie in het de plaatselijke kattencafé. Kijk maar of je eens meewilt.’ De huisgenoten en tegelijkertijd vriendinnen keken elkaar aan en gaven door middel van een blik de bevestiging dat het goed was. Sophie nam dankbaar het papiertje aan.
‘O,’ zei Lara en viste het papiertje weer uit haar handen. Met dezelfde pen schreef ze haar nummer er ook bij. ‘Als zij niet opneemt, neem ik wel op.’ Ze lachten. Lara was duidelijk de grappenmaakster van de twee. Sophie wist verder niet wat ze moest zeggen, dus zei ze maar niets. Dit sociale contact was ze niet gewend.
Ze liet hen uit. Feline en Lara stapten in de auto.
‘Mag ik Billy zaterdag meenemen?’ kreeg Sophie toch haar keel uit. De meiden giechelden.
‘Natuurlijk!’ glimlachte Feline.

 


 

De levensles:

Als de trein zoals gewoonlijk op tijd was gekomen, dan had Sophie de meiden Feline en Lara nooit ontmoet. Dan waren ze geen vriendinnen geworden. Sinds die nacht hebben ze elkaar niet meer losgelaten.

Als Sophie in de trein was gestapt nadat het was op komen dagen, dan had ze dood kunnen zijn. Om vijf voor half één had ze zorgeloos de trein genomen. Om ongeveer kwart voor één was ze uitgestapt, had ze nog tien minuten moeten fietsen. Om precies twaalf uur zesenvijftig was de man twee keer bekogeld, de derde was mis. Als zij daar ook had gelopen, dan was de laatste schot onbedoeld voor haar geweest. Maar Sophie is in bescherming genomen, daardoor kon ze moeilijk naar huis. Ze werd opgehouden. Feline was er om haar op te vangen, samen met Lara.

Als je ooit in een vervelende situatie verkeert, bedenk dan voordat je begint te mokken over hoe alles tegenzit, dat alles wat gebeurt met een reden is. Het voelt alsof je wordt gepest door ‘t leven, maar in feite word je geholpen. Soms zal je de reden weten, soms niet.